|
Als jongetje van twee kwam ik vanuit een geteisterd en dolend Indië naar Nederland. Tot mijn achtste groeide ik op in Haarlem, tegenover een kerk. In het plantsoen vóór de kerk stond een monument waar ieder jaar op 4 mei de dodenherdenking werd gehouden.
Hoewel in de oorlog geboren, ken ik deze alleen maar van herdenkingen. Van avonden waarop het om klokslag acht uur altijd windstil werd. Van een wereld die twee minuten stilstond en volwassenen die ernstig voor zich uit staarden.
Van een stilte die zo dwingend was, dat verstoring ervan in mijn kinderfantasie een nieuwe oorlog dreigde te ontketenen. Ik zat onbeweeglijk mee te staren. En van tantes die mijn moeder niet waren, al besefte ik dat in het begin nog niet en waren ze allemaal lief als moeders. Het gemis was er wel, het besef nog niet. Het waren herdenkingen van een oorlog die zijn sporen om me heen had nagelaten, tastbaar in de dingen om me heen. Voelbaar in de dingen waar de grote mensen over praatten.
En altijd ging het over de oorlog in het land waar ik nu woonde. Aan de oorlog in het land waar ik vandaan kwam werd slechts vaag gerefereerd, even ver en afstandelijk als dat land zelf.
Ik herdacht mee bij de monumenten om me heen, maar wat ik verloren had werd achteloos dan wel angstvallig voor me verborgen gehouden.
Ik was in een kamp geboren en had mijn moeder daar achtergelaten alsof Indië een kamp was en geen land, mijn moeder een vage kennis en geen mamma.
Toen vele, vele jaren later de nationale herdenkingen een sleur dreigden te worden, hoe indrukwekkend en noodzakelijk ook, werd het tijd voor mijn eigen herdenking: De dodenherdenking van mijn moeder, 22 juni 1945. En ik schreef, samen met een vriend, een lied:
MOEDER
Ik zit in de kamer van het hoge herenhuis Stoffige ramen filteren De warme stralen van de middagzon Van verre komen flarden van het carillon En ik denk aan het land van herkomst.
Ik verlaat mijn vaderland even, Ben in het verre land Waar ik mijn moeder achterliet Ze had geen tijd om mij te leren kennen En ook ik, ik ken haar niet.
Ik ben dan wel bekend nu Als Boudewijn de Groot Mijn moeder weet van niets Mijn moeder namelijk is dood Ik heb nog een paar fotos Uit Indië, waarop ze staat Als verstilde danseres In een lang en wit gewaad.
Op de schoorsteenmantel haar portret We kijken naar elkaar Haar ogen zijn mijn ogen Maar lijk ik ook op haar? Soms doet het verre carillon Me denken aan de gamelan Aan het land waar alles begon:
Nederlands-Indië, mn moeder, Ik mis ze soms, Maar ik weet er weinig van.
Dit is een lied van een kind zonder moeder voor een moeder zonder kind. Een facet van de oorlog samengevat in één zin.
De schreeuw van een kind wordt zelden gehoord alleen als het vervelend is. Vrijwel nooit in wanhoop Ik heb als kind nooit geschreeuwd, alleen en verlaten. Ik heb nooit geschreeuwd om een moeder die ik kwijt was. Dit lied was mijn eerste kreet. En daarmee in zekere zin mijn eerste, verlate oorlogservaring. Velen van u denken op dit moment terug aan hun eigen oorlogservaring in Indië of Birma.
Voor anderen, waaronder ikzelf, is dit een herdenking zonder herinneringen, ik weet niets van Indië zelf, ik weet alleen en dat geldt in nog heviger mate voor mijn oudere zusje en broertje wat ik er verloren heb.
Ook zij, mijn moeder, schemert als een stille kracht in mij. Een kracht die ik, naarmate ik ouder word, steeds minder stil voel.
En wellicht dat ik ooit, oud en verteerd, op het laatste moment nog als een kind zal roepen: Ik wil mijn moeder terug!
|